
De Europese Unie profileert zich als een gemeenschap van waarden: transparantie, rechtsstaat, democratie. Tegelijkertijd beheert zij enorme geldstromen, die bedoeld zijn om lidstaten te ondersteunen en crises te bestrijden. De recente ontwikkelingen rond Hongarije en Oekraïne bieden een scherp prisma waarmee deze dynamiek kan worden onderzocht.
Enerzijds wordt Hongarije meer dan een miljard euro aan EU-fondsen onthouden, met een potentieel oplopend verlies tot 6,7 miljard, vanwege vermeende tekortkomingen in rechtsstaat en corruptiebestrijding. Anderzijds wordt voor Oekraïne een totaalbedrag van 800 miljard euro gemobiliseerd, grotendeels betaald door EU-burgers, waarvan Nederland een onevenredig groot aandeel draagt.
Het contrast is schrijnend en laat zien dat geldstromen binnen de EU niet louter economische instrumenten zijn, maar politieke hefboommiddelen. De redenen die de Commissie aanvoert voor het onthouden van geld aan Hongarije zijn formeel: gebrekkige hervormingen, onvoldoende transparantie, en structurele tekortkomingen in de rechtsstaat. In werkelijkheid is Hongarije gewoon kritisch op bepaald EU-beleid.

Voor Oekraïne, een land dat volgens de Corruption Perceptions Index (CPI) van Transparency International zelfs lager scoort (35/100) dan Hongarije (41/100), geldt een heel ander verhaal. Ondanks aanhoudende problemen met corruptie wordt enorme financiële steun verstrekt, aangemoedigd door geopolitieke en strategische belangen.
De CPI, die sinds 1995 wordt gepubliceerd door Transparency International, is bedoeld als maatstaf voor de waargenomen mate van publieke corruptie. Een hogere score betekent meer transparantie en minder waargenomen corruptie. Het is belangrijk te beseffen dat de CPI niet puur een objectieve meting van feitelijke corruptie is, maar een geaggregeerde perceptie van deskundigen, zakenmensen en internationale organisaties (NGO’s).
De scores worden beïnvloed door publieke dossiers, zichtbaarheid van schandalen, en internationale rapportages. In dat licht is het opvallend dat Hongarije het laagste cijfer van de EU-lidstaten heeft, terwijl omliggende landen zoals Tsjechië en Polen, met een vergelijkbare historische en politieke achtergrond, aanzienlijk hoger scoren.
Ook Slovakije, dat zich in Brussel regelmatig kritisch opstelt en soms tegensputtert tegen de dominante EU-lijn, scoort lager dan verwacht, wat suggereert dat politieke houding mede de perceptie beïnvloedt. Een soortgelijke dynamiek zien we in voormalig Joegoslavië: Servië scoort traditioneel laag, terwijl Kroatië, dat de afgelopen jaren netjes “in de pas” loopt met EU‑verwachtingen, een index krijgt vergelijkbaar met landen als Slovakije. Zonder hier te zwaar op door te dringen, laat dit zien dat percepties van corruptie deels worden gekleurd door politieke gehoorzaamheid en conformiteit aan Brussel, en niet alleen door daadwerkelijke integriteit.
Tegelijkertijd blijft het schrijnende contrast tussen geld en macht zichtbaar: €1 miljard wordt Hongarije onthouden, terwijl €800 miljard wordt gemobiliseerd voor Oekraïne, grotendeels betaald door EU-burgers. Dit illustreert dat EU-geldstromen niet neutraal zijn, maar instrumenten van macht, prioritering en publieke lastenverdeling — een dynamiek die niet nieuw is: ook programma’s zoals USAID werden jarenlang gebruikt om politieke doelen van de VS te ondersteunen, waarbij landen die “meewerkten” makkelijker toegang kregen tot fondsen dan landen die dat niet deden.

Het gebruik van de CPI ter ondersteuning van beleidsbeslissingen toont bovendien hoe selectief “betrouwbaarheid” kan worden gehanteerd. Zelfs landen met hoge integriteit en lage corruptiescores kunnen worden genegeerd of bestraft als hun resultaten of beleid niet passen binnen het dominante narratief.
Tot slot:

Ter afsluiting een ironische noot: Denemarken staat op 1 in de CPI, wereldwijd het meest betrouwbare land. Toch werd tijdens de COVID‑crisis nauwelijks acht geslagen op belangrijke Deense studies, zoals het IFR‑onderzoek (Omicron) dat een sterftepercentage van 0,0062% aantoonde (Deens onderzoek, 2022), in scherp contrast met de 3,4% die de WHO aanvankelijk rapporteerde.
Zelfs landen met de hoogste integriteit kunnen dus gemakkelijk genegeerd worden zodra hun resultaten niet passen binnen het dominante narratief. Dit benadrukt nogmaals dat geldstromen, percepties en politieke gehoorzaamheid vaak zwaarder wegen dan objectieve betrouwbaarheid, en dat burgers uiteindelijk de prijs betalen van deze selectieve erkenning.

Het contrast tussen de bedragen, de CPI-scores, en de publieke kosten legt bloot dat politieke gehoorzaamheid en strategische belangen vaak zwaarder wegen dan objectieve corruptiemetingen. Terwijl Hongarije harde financiële sancties ervaart, wordt Oekraïne massaal gesteund, en Denemarken’s wetenschappelijke bevindingen werden genegeerd — ondanks de hoogste scores op betrouwbaarheid.
Het punt is duidelijk: objectieve feiten en integriteit zijn niet automatisch bepalend voor wie geld krijgt of wiens stem wordt gehoord; geldstromen en macht spelen een minstens zo cruciale rol. In de Verenigde Staten zijn ze daar achter gekomen en hebben vele gelijksoortige geldstromen (USAID) stil gelegd.


