Een beladen datum
Op 7 oktober liggen woorden zwaar. De aanval van Hamas was gruwelijk, maar ook in de eerste dagen circuleerden verhalen die niet standhielden. Zo was de claim dat veertig baby’s waren onthoofd totale onzin. De officiële Israëlische slachtoffersregistratie vermeldt twee kinderen jonger dan twee jaar: een baby van tien maanden en een pasgeborene die kort na haar geboorte overleed. De lijst onderbouwt geen onthoofding. Israëlische slachtoffersregistratie · Le Monde over de claim
Ook de beweringen over seksueel geweld vragen om zorgvuldigheid. Een VN-missie meldde dat er “redelijke gronden” waren om aan te nemen dat seksueel geweld, waaronder verkrachting, op meerdere locaties had plaatsgevonden. Dat is een bevinding van een onderzoeksmissie, geen strafrechtelijke uitspraak van een rechtbank. Ik vind het onverantwoord wanneer zo’n beperkte conclusie in het publieke debat verandert in de stellige bewering dat structurele verkrachting als wapen vaststaat. De VN publiceerde haar bevindingen in maart 2024.
Mijn overtuiging is dat gruwelijke verhalen bewust zijn overdreven om de verontwaardiging aan te wakkeren en een hardere Israëlische reactie te rechtvaardigen. Dat is mijn oordeel over hun politieke functie; de bedoeling achter elk afzonderlijk verhaal vraagt om nader onderzoek.
De Hannibalrichtlijn en de voertuigen
Ook de berichtgeving over de Hannibalrichtlijn op 7 oktober verdient serieuze aandacht. Israëlische journalisten meldden dat ongeveer zeventig voertuigen die richting Gaza reden door Israëlisch vuur waren geraakt. In sommige gevallen zouden alle inzittenden zijn omgekomen. Journalist Ronen Bergman zei later dat de IDF een schatting had van zeventig tot negentig voertuigen. Er lagen veel lichamen in; de meeste waren van aanvallers, maar niet allemaal. Yedioth Ahronoth/ynet · Bergmans interview.
Beelden tonen Apachehelikopters die Hellfire-raketten op voertuigen afvuren. Een Hellfire is een precisiewapen dat is ontworpen om voertuigen en andere doelen uit te schakelen. De Israëlische berichtgeving beschrijft bovendien dat voertuigen werden geraakt met helikopters, antitankraketten en tanks. Op grond van die berichtgeving en het gebruikte wapentuig vind ik enkele tientallen doden onder de inzittenden een reële aanname. Het precieze aantal en de identiteit van alle inzittenden zijn niet vastgesteld. Maar dit verhaal terugbrengen tot enkele losse gevallen doet geen recht aan de schaal van de gerapporteerde aanvallen.
Oorlog, gewapend conflict en erkenning
Israël spreekt over oorlog met Hamas en Gaza, terwijl het Palestina niet als staat erkent. Juridisch betekent dat niet dat er geen gewapend conflict kan zijn: internationaal recht kijkt naar de feiten en de partijen, niet alleen naar erkenning als staat. Maar politiek blijft de tegenstelling wringen. Palestijnen worden behandeld als tegenstander in een oorlog, terwijl hun politieke aanspraak op zelfbeschikking wordt afgewezen.
Ook rond het conflict in de Donbas van 2014 tot 2022 liepen de termen “burgeroorlog”, “gewapend conflict” en “internationaal conflict” door elkaar. Buitenlandse steun aan een partij maakt een land op zichzelf nog geen belligerent. De les is dat het woord “oorlog” een politieke lading heeft, maar de juridische werkelijkheid niet zelfstandig vaststelt.
Wat bedoelen we met zionisme?
In de kern is zionisme een politieke beweging die Joodse nationale zelfbeschikking in het historische thuisland bepleit. Dat is niet automatisch hetzelfde als onvoorwaardelijke steun aan de huidige Israëlische regering of aan haar militaire optreden in Gaza en de Westelijke Jordaanoever. Christelijke zionisten gebruiken het begrip vanuit hun eigen religieuze overtuiging en politieke steun voor Israël.
In discussies wordt die verscheidenheid vaak platgeslagen. Kritiek op Israëlisch beleid wordt dan weggezet als kritiek op Joden, of iedere zionist wordt vereenzelvigd met het kabinet-Netanyahu. Dat helpt niemand om het werkelijke beleid te bespreken.
Gerechtigheid of wraak?
Mijn oordeel over de Israëlische reactie op 7 oktober is duidelijk: die is buitenproportioneel. Gaza is op grote schaal verwoest en burgers, onder wie kinderen, hebben een enorme prijs betaald. Proportionaliteit is in het oorlogsrecht geen simpele rekensom waarbij je het aantal doden aan beide kanten vergelijkt; het gaat ook om afzonderlijke aanvallen, de verwachte burgerslachtoffers en het concrete militaire voordeel.
Mijn morele oordeel over de totale campagne blijft staan: de verwoesting en het burgerleed wijzen voor mij niet meer op een begrensde zoektocht naar gerechtigheid. Wanneer politieke leiders een bevolking als collectief schuldig voorstellen, verschuift de taal van recht naar wraak.Een rechtsstaat hoort daders ter verantwoording te roepen. Dat betekent onderzoek, bewijs en berechting. Het betekent niet dat een hele bevolking de prijs betaalt voor de misdrijven van een gewapende organisatie.
Wanneer angst een middel wordt
Oorlog is niet vanzelf rechtvaardig omdat een staat hem voert. In de vorige eeuw werd de vernietiging van burgergebieden steeds vaker onderdeel van militaire strategie. De brandbombardementen op Duitse steden en de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki roepen daarom een ongemakkelijke vraag op: wanneer wordt angst zelf een oorlogsmiddel?
In de notulen van de Amerikaanse doelwitcommissie stond dat men de grootst mogelijke psychologische uitwerking op Japan wilde. De verwoesting van burgergebieden en het bewust doden van burgers waren voorzien en werden ingezet om Japan tot overgave te dwingen. Angst was niet slechts een gevolg van het geweld, maar een middel. Dat noem ik, in morele en politieke zin, terreur. De notulen van de doelwitcommissie zijn hier te raadplegen.
De Holocaust als politiek kader
Die instrumentalisering van geschiedenis zie ik ook wanneer Benjamin Netanyahu kort na de start van Israëls aanval op Iran, Operation Rising Lion, de Holocaust erbij haalt. Hij opent met: “Moments ago, Israel launched Operation Rising Lion.” Vervolgens zegt hij dat het Joodse volk tachtig jaar eerder slachtoffer was van de Holocaust en dat Israël vandaag geen slachtoffer wil worden van een “Holocaust”. Later zegt hij: “Never again is now.” De koppeling staat in de toespraak zelf. De volledige transcriptie van 13 juni 2025.
Voor de meeste mensen die nu leven, is de Holocaust geen persoonlijke herinnering: zij kennen haar via onderwijs, verhalen en publieke rituelen. Die overdracht is niet automatisch verkeerd. Wel kan herinnering een politiek moreel kader worden dat telkens opnieuw wordt ingezet om een actuele militaire keuze te legitimeren. Ik zie in de Israëlische publieke cultuur een vorm van indoctrinatie wanneer de Holocaust zo voortdurend wordt verbonden aan hedendaagse dreigingen dat kritiek op beleid bijna als verraad aan de geschiedenis voelt.
David Icke verwoordde een gedachte die ik herken: “Wat ik wil zeggen, is dat ik ook niet wil dat die mentaliteit de wereld regeert.” Mijn bezwaar richt zich niet op Joden als groep, maar op het gebruik van historische vervolging als politiek schild.
Kritiek op Israël is geen Jodenhaat
De Joodse diaspora is geen verlengstuk van de Israëlische regering. Toch worden Joodse gemeenschappen buiten Israël geregeld aangesproken alsof zij verantwoordelijk zijn voor het beleid van die staat. Ik ben ervan overtuigd dat Israëlische politieke boodschappen de diaspora zo kunnen instrumentaliseren — en dat Joodse mensen daarmee zelf slachtoffer worden van propaganda en druk om zich tot dat beleid te verhouden.
Kritiek op Israël is niet automatisch antisemitisme. Antisemitisme bestaat, en collectieve schuld toeschrijven aan Joden is antisemitisch. Maar een regering, leger of ideologie bekritiseren is iets anders dan Jodenhaat. Die grens moet helder blijven, juist omdat het op één hoop gooien van kritiek en antisemitisme een open discussie verstikt.
Ruimte voor debat
In Nederland is artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht in 2024 uitgebreid met bepalingen over het publiekelijk vergoelijken, ontkennen of verregaand bagatelliseren van bepaalde internationale misdrijven. De wet verwijst daarbij naar misdrijven uit de Wet internationale misdrijven en naar artikel 6 van het Handvest van het Internationaal Militair Tribunaal. Ik wil niet vooruitlopen op hoe een rechter dit artikel in een concreet geval toepast. Wel baart het mij zorgen wanneer de grenzen van strafbare uitlatingen het debat over oorlog, geschiedenis en staatsgeweld verder verkleinen. Juist bij beladen onderwerpen moet er ruimte zijn om feiten, bronnen en interpretaties kritisch te bespreken. De wettekst staat in het Staatsblad van 2024.

“Wij zullen nooit vergeten” klinkt als een belofte aan de doden. Maar als die belofte wordt gebruikt om nieuw geweld te rechtvaardigen en kritiek daarop te smoren, wordt herinnering een gevangenis. Wie vrede wil, moet niet alleen het verleden blijven herhalen, maar ook weigeren om het als vrijbrief voor wraak te gebruiken. Zonder rechtvaardigheid, erkenning van Palestijnse politieke rechten en ruimte voor een eerlijk debat zal de strijd voortduren.


























































